Puur natuur...

Hommels en bijen

Op onze tuinen komen veel soorten hommels en bijen voor. Enige tijd geleden hebben wij het verzoek gehad van het KNNV om mee te doen aan een onderzoek naar de stand van deze nuttige diertjes. Steven Campbell heeft een inventaris gemaakt welke soorten er zoal voorkomen op een complex nl. de Boterbloem. Hieronder staat een algemeen verhaal over hommels en bijen en een, niet compleet, overzicht van enkele waargenomen exemplaren. Uiteraard heb ik gebruik gemaakt van Wikipedia voor de nodige beschrijving van de diverse soorten.

Hommels

Hommels (Bombinae) tellen ongeveer 400 soorten, die over de hele wereld verspreid voor komen, uitgezonderd het Afrikaanse continent ten zuiden van de Sahara, Australië en de naburige eilanden. In Australië en Nieuw-Zeeland introduceerden kolonisten rond 1880 hommels uit Zuid-Engeland omdat geen van de inheemse bijen de bestuiving van de ingevoerde rode klaver konden verzorgen. De diepe kroonbuizen vragen om een lange, uitrolbare hommeltong. Op deze eilanden gedijen hommels nog steeds.
Hommels komen voornamelijk voor in delen van Noord-Amerika en Europa en Azië. Vele soorten zijn terug te vinden in de koelere streken van deze continenten, rond de poolcirkel en op toppen van gebergtes, waar geen bomen groeien. Twee soorten, Bombus polaris en Bombus hyperboreus, wagen zich wel erg ver noordwaarts. Zij leven op het Canadese eiland Ellesmere, gelegen op slechts 880 km van de Noordpool.
Hommels zijn zeldzaam in warme klimaten en afwezig in woestijnen. Toch hebben sommige soorten zich ver zuidwaarts gesetteld, tot Indonesië en het eiland Tierra del Fuego toe. Bombus atratus weet zich zelfs te handhaven in het Amazonewoud.

Aardhommel

Een veel voorkomende soort is de Aardhommel (Bombus terrestris = witte punt en twee geel/oranje banden). De beharing is kort en regelmatig. Koninginnen van de Aardhommel zie je al in maart. Zoals de naam zegt nestelen ze meestal ondergronds. De aardhommel houdt van wilg en later in het jaar zie je ze ook veel op distels. Een volgroeide kolonie bestaat uit zo'n 300 tot 500 werksters. Ze zijn moeilijk te onderscheiden van de Kleine Aardhommel.

Lichaamslengte in mm:
- koningin: 20 – 23
- werkster: 11 – 17
- mannetje: 14 – 16

Tuinhommel

De Tuinhommel (Bombus hortorum = witte punt en twee gele banden) komt niet alleen in tuinen voor, maar je kan ze meestal wel in de buurt van mensen aantreffen. Ze nestelen zich graag in vogel- en muizennesten, stallen, schuren en zolders. De kolonies zijn niet zo groot; 50 tot 120 werksters. De Tuinhommel lijkt veel op de aardhommel maar heeft een extra gele band onderaan het borststuk. De tuinhommel houdt van lipbloemen en kamperfoelie.

Lichaamslengte in mm:
- koningin: 17 – 22
- werkster: 11 – 16
- mannetje: 13 – 15

Steenhommel

De Steenhommel (Bombus lapidarius = zijdeachtig zwart met een rood achterstuk) houdt van wilgen en het klein hoefblad. Later in het jaar zien je ze vaak op de dovenetel en hondsdraf. Steenhommels nestelen in muurspleten, schuren en stallen, maar ze worden ook wel ondergronds aangetroffen. Kolonies van de Steenhommel bestaan uit zo'n 100 tot 300 werksters. Deze soort is makkelijk te verwisselen met de Koekoekshommel (Psithyrus rupestris).

Lichaamslengte in mm:
- koningin: 20 – 22
- werkster: 12 – 16
- mannetje: 14 – 16

Akkerhommel

De Akkerhommel (Bombus pascuorum = oranje/bruin borststuk en achterlijf) nestelt bovengronds onder mos, in graspollen en composthopen maar ook in vogelnesten. Een kolonie bestaat uit 60 tot 150 werksters. Akkerhommels hebben een . De punt is donkerder van kleur. Tussen de haren van het borststuk zitten ook zwarte haren. De koningin vliegt pas in de maand mei rond. Ze zijn te vinden op de bloemen van de dovenetel.

Lichaamslengte in mm:
- koningin: 15 – 18
- werkster: 9 - 15
- mannetje: 12 – 14

De hierboven beschreven soorten zijn de meest voor komende in Nederland. Er zijn waarschijnlijk zo'n 30 verschillende hommels, waarvan er enkele zo op elkaar lijken, dat ze moeilijk uit elkaar te houden zijn. Op de wilde bijen website vind je veel meer gegevens over deze prachtige dieren.

Zo hebben wij op het complex ook nog de onderstaande hommelsoorten waargenomen.

Gewone koekoeksbloemhommel

Tweekleurige koekoeksbloemhommel

Veldhommel

Beschrijving van enkele bijen

Behangersbij

 Omschrijving: Van de Gewone behangersbij (Megachile versicolor) is de buikschuier roodgekleurd, behalve de laatste twee segmenten die zijn zwart. De Gewone behangersbij heeft verder witte haarbandjes op de randen van de achterlijfsegmenten. Ze is minder behaard dan de Ericabij. De soort vliegt vanaf eind mei tot begin augustus soms gevolgd door een tweede generatie in eind augustus en september. Nestelt in dood hout (bestaande kever-gaten of holle plantenstengels) op zonnige, open plekken bijvoorbeeld langs bosranden en in tuinen. Kan ook zelf een gang graven in bijvoorbeeld met merg gevulde braamstengels. Als bouwmateriaal gebruikt de Gewone behangersbij bij voorkeur blad van roos of sleedoorn. Komt in Nederland verspreid voor, met name op de hogere zandgronden en de kustduinen, ook op de waddeneilanden.

Honingbij

 (Honingbijen Apis) zijn een geslacht van insecten uit de familie bijen (Apidae), behorend tot de orde vliesvleugeligen (Hymenoptera). Honingbijen kenmerken zich door hun productie en opslag van honing en de bouw van nesten uit bijenwas. Er zijn zeven erkende soorten honingbijen, met 44 ondersoorten. Historisch zijn er zes tot elf erkende soorten. Honingbijen vertegenwoordigen een fractie van de 20.000 bekende soorten bijen.
De naam 'honing'bijen is enigszins verwarrend omdat er vele andere bijen zijn die honing produceren, zoals de bekende hommels uit het geslacht Bombus. Er bestaan ook andere bijensoorten die honing produceren, maar alleen bijen die tot het geslacht Apis behoren worden gezien als 'echte' honingbijen.

Tronkenbij

 Het zijn kleine bijtjes, die flink in lengte van elkaar kunnen verschillen (6 tot 10 mm), maar tronkenbijen (Heriades truncorum) zijn de meest honkvaste van alle solitaire bijen die in nestblokken wonen. Vele generaties achter elkaar vertrouwen ze hun nakomelingen aan steeds dezelfde nestgelegenheden toe. Zoals zoveel soorten bijen die gebruik maken van aangeboden nesthulp, zijn ook tronkenbijen buikverzamelaars. In dit geval met goudgele buikharen. De randen van de bovenste achterlijfsegmenten hebben bandjes van korte witte haren. Maar zwart is de grondkleur van deze insecten, die bij nadere beschouwing uitgerust zijn met een chitinepantser waarin veel kleine putjes zitten over het hele lichaam verspreid. De dieren doen wat gedrongen aan, vooral de mannetjes, die natuurlijk geen verzamelharen hebben, maar wel lichte haren aan de voorkant van hun kop. Het achterlijf van de mannelijke dieren is altijd een beetje naar voren gekromd.

Tubebij

 Tubebijen zijn kleine (S. minima is slechts 3-4 mm), vrij kale, vaak zwarte koekoeksbijen die verschillende geslachten als gastheer hebben: Tronkenbijen, Klokjesbijen, Metselbijen of Wolbijen.

Insectenhuis

Hebben jullie het insectenhuisje al gezien dat wij als jubileumcadeau hebben gehad van het bestuur? Nee?
Nu, dat moet je dan gauw eens doen! Het is reuze spannend om naar te kijken. De insecten maken er druk gebruik van.
Voor een mooie foto moeten we nog even goed ons best doen, want dat is niet makkelijk.
Maar op de foto van de website die hieronder staat vermeld, zie je hoe de bijen hun eitjes leggen en hoe deze zich ontwikkelen. Daaronder kun je een boel interessants lezen over de bijen.

Solitaire bijen

Wilde Bijen zijn niet, zoals sommige mensen denken, verwilderde honingbijen. Het is een verzamelnaam voor solitair levende bijen en hommels. De levenswijze verschilt grondig van die van de honingbij. Bij de solitaire bijen heeft elk vrouwtje een eigen nestholte waarin ze eitjes legt. De levenswijze van de hommels lijkt al iets meer op die van de honingbij. De hommelkoninginnen bouwen in het voorjaar een kolonie op met werksters en darren. Maar de koninginnen overwinteren wel solitair. De honingbij daarentegen leeft het hele jaar door in een kolonie met één koningin en een groot aantal werksters.

Levenscyclus

Solitaire bijen zijn slechts enkele maanden actief op een jaar. In die periode gaat elk vrouwtje op zoek naar een geschikte nestplaats. De meeste soorten graven een gangetje in de grond. Een derde van de solitaire bijen zoekt bestaande holten in hout, stengels of tussen stenen. Wanneer de nestholte gegraven of goedgekeurd is, begint het vrouwtje met een aantal foerageervluchten. Daarbij wordt stuifmeel verzameld dat achteraan in de nestholte wordt opgestapeld. Wanneer voldoende stuifmeel is verzameld, legt het vrouwtje er een eitje op. Hiervoor wordt dan een wand gebouwd van modder en speeksel, zodat er een cel ontstaat. Daarna wordt alles herhaald tot de holte volgebouwd is met cellen. De solitaire bij meet altijd eerst de lengte van een cel en bouwt dan een drempel op de plek waar de volgende wand moet komen. Daarna wordt het stuifmeel aangevoerd en het eitje gelegd, om tot slot de drempel uit te bouwen tot een gesloten wand.

In de voorste cellen worden onbevruchte eitjes gelegd, hieruit zullen de mannetjes komen. De opening vooraan wordt afgesloten met een stevige mengeling van speeksel met modder, plantenmateriaal of zand, zodanig dat het broed goed beschermd is. In de cellen ontwikkelen de eitjes zich tot larven die zich voeden met het stuifmeel. Zodra het stuifmeel op is spinnen de meeste soorten een cocon. Daarin gaan ze over van het larvaal stadium tot een pop en vervolgens tot de volwassen bij. Deze gedaanteverwisseling duurt een aantal maanden en afhankelijk van de soort overwinteren ze als pop of reeds als volwassen bij. In het volgend voorjaar komen dan eerst de mannelijke bijen uit het nest gekropen. Deze wachten bij de nestplek tot de vrouwtjes uitkomen die dan meteen bevrucht worden. Speciaal aan deze levenswijze is dat de solitaire bijen dus nooit hun nageslacht zien, want de volwassen bijen sterven zodra voldoende nesten belegd zijn. Er zijn wel een aantal soorten waarbij de bijen twee generaties op een jaar hebben. Daarbij wordt de eerste levenscyclus snel doorlopen zodat nog een tweede cyclus kan worden aangevat die dan de bijen in het voorjaar zal voortbrengen. Behalve de strikt solitaire levenswijze bestaan ook nog enkele andere levensvormen. Bij sommige soorten liggen de nestplaatsen zodanig dicht bijeen dat het lijkt alsof het over een echt bijenvolkje gaat. Andere soorten gebruiken zelfs dezelfde nestingang. Maar toch leggen de vrouwtjes altijd hun eigen eitjes in een verschillende gang.

Omdat solitaire bijen vooral stuifmeel verzamelen en nectar bijna alleen gebruiken voor de eigen energievoorziening zijn het veel betere bestuivers dan de honingbij. Honingbijen durven de bloemen vaak te beroven van hun nectar zonder daarbij de meeldraden aan te raken. Slechts een klein percentage van de door honingbijen bezochte bloemen wordt daadwerkelijk bestoven, terwijl de solitaire bijen bij bloembezoek voor 97% bestuiving zorgen. Hierdoor is één solitaire bij op het vlak van bestuiving equivalent aan 120 werksters van honingbijen. Bijen hebben zich erop toegelegd om stuifmeel als belangrijkste voedselbron voor hun broed aan te wenden. Daardoor is het voor de bijen zeer belangrijk om op een zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk stuifmeel naar het nest te kunnen brengen met zo weinig mogelijk energieverbruik. Dit is in de evolutie een zeer belangrijke selectiedruk geweest en heeft er voor gezorgd dat er nu een aantal bijen voorkomen met verschillende methoden om pollen te verzamelen en te transporteren.

Kropverzamelaars

De meest primitieve vorm om stuifmeel te verzamelen is die waarbij het stuifmeel met nectar wordt ingeslikt en in de maag naar het nest wordt gebracht. Hierbij kan de nectar, die voor de eigen energie van de bij zorgt, niet gescheiden worden van de pollen die dienen als voedsel voor de larven. Door de kleine maaginhoud is het ook niet mogelijk om veel stuifmeel per keer te transporteren. Deze transportmanier is het minst voordelig en tijdens de evolutie zijn bijensoorten ontstaan met speciale beharing: buikverzamelaars en beenverzamelaars.

Buikverzamelaars

Tot deze groep behoren de Bladsnijderbijen. Zij hebben op de onderkant van het achterlijf lange haren waartussen heel wat stuifmeel kan verzameld worden. We spreken van een buikschuier. In het nest wordt het stuifmeel met de achterpoten losgekamd en opgestapeld.

Beenverzamelaars

Veel bijenfamilies hebben aangepaste beharing op de achterste poten om stuifmeel te transporteren. De Pluimvoetbij Dasypoda plumipes is daardoor goed te herkennen aan de zeer sterk behaarde achterpoten. Korfverzamelaars De grootste specialisatie komt voor bij de honingbij en de hommels. Zij verzamelen het stuifmeel dat vermengd wordt met nectar in speciale pollenkorfjes op de achterpoten. Sommige hommelsoorten kunnen hiermee tot 60 mg pollen transporteren. Dit is ongeveer de helft van hun lichaamsgewicht.

(bron: www.solitairebijen.ugent.be/SB_website/levenswijze.html)

 

Rabarber

Rabarber (Latijnse naam: Rheum rhabarbarum) is een plant uit de duizendknoopfamilie. De plant wordt gekweekt vanwege zijn eetbare delen.

De Rabarber word al meer dan 5000 jaar door de mens gebruikt, in het begin alleen als geneesmiddel. De Chinezen zijn dit gewas, uit de Aziatische steppen, als eerste gaan telen. Uit de wortel werd en wordt nog steeds een sterk laxeermiddel gewonnen. Rond 1600 ontdekte John Gerard, hof-tuinman van de Engelse koning Charles I, dat de stelen gegeten kunnen worden. Maar het duurde nog tot ver in de achttiende eeuw, voordat rabarber als groente een grotere bekendheid kreeg. In Nederland vindt de teelt vanaf ongeveer 1900 plaats.

Rabarber is meestal in de zomer op de markt. Bij de buitenteelt is het belangrijk om na de langste dag (het midden van de zomer) geen stelen meer te oogsten, opdat de plant voldoende reservestoffen voor het volgend jaar kan vormen.

Rabarber kan tegenwoordig ook al vanaf november gekocht worden. Dit is mogelijk doordat de rabarberpollen “geforceerd” kunnen worden. Voor de forceerteelt worden één tot drie jaar oude pollen in de winter in donker gemaakte schuren of kassen gezet. Alvorens de pollen kunnen worden geforceerd, moeten zij voldoende tijd aan koude worden bloodgesteld, om de knoprust te doorbreken. Dit kan op een natuurlijke maar ook kunstmatige manier in een koelcel. Vroege rassen hebben minder koude nodig dan late rassen.

Voor de vroege teelt worden de pollen buiten afgedekt met plastic folie.

De plant heeft dikke bladstelen en grote bladeren. Er zijn rassen met rode stelen en met groene stelen. Voor de verse markt worden alleen rassen met rode stelen geteeld. Frambozenrood heeft de meest donkerrood gekleurde stelen.Voor de rabarber in pot wordt het ras Goliath geteeld dat groene stelen heeft, omdat de industrie geen gekleurde moes wil produceren.

De bloem

De trosvormig vertakte bloeiwijze wordt meestal weggehaald, omdat het om de eetbare bladstelen gaat. En de bloei ook ten koste gaat van de bladvorming. Maar zoals je op bijgaande foto ziet is deze bloeiwijze zeer de moeite waard, om er aan de plant één te laten bloeien. De bloeiwijze komt voornamelijk bij het ras 'Goliath' voor.

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Bij Recepten vind je hoe je rabarbermoes en rabarberijsjes kunt maken.

Aardvlooien

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie.

Aardvlooien, ook wel vlokevers, zijn een groep van vaak onooglijk kleine kevers die behoren tot de familie bladhaantjes (Chrysomelidae). Er zijn meerdere geslachten binnen de familie bladhaantjes die echter wel als aparte groep worden gezien. Een aardvlo is dus geen vlo maar een 2 tot 3 millimeter lang klein kevertje, dat echter grote sprongen kan maken doordat het bovenste deel van zijn achterste poten sterk gespierd en verdikt is. Veel soorten hebben een glanzende staalblauwe kleur of zijn zwart met gele strepen.

De aardvlo is een planteneter, die voornamelijk leeft op planten van de familie van de kruisbloemigen. Vooral de bladeren van jonge plantjes worden aangevreten en vertonen vensters en later gaatjes.

In het begin van de zomer worden bovenin de grond de eitjes gelegd.
Na het uitkomen vreten de larven aan de plantenwortels, zonder echt schade te veroorzaken of ze kruipen omhoog en maken een 'mijn' in een blad om zich daarin vervolgens vol te eten aan het blad totdat ze groot genoeg zijn om te verpoppen. Hiervoor kruipen de larven weer onder de grond. De kever overwintert in volwassen vorm en veroorzaakt het volgende jaar de schade. Als de luchttemperatuur 18 °C is, komen ze tevoorschijn. Aardvlooien hebben een hekel aan vocht, de aantasting treedt vooral op onder droge omstandigheden.

Zweefvliegen.

Zweefvliegen zijn er in soorten en maten, maar de meeste worden niet langer dan twee centimeter. Veel zweefvliegen bootsen de felle kleuren en overeenkomstige patronen van vliesvleugeligen zoals wespen, bijen of hommels na, waardoor ze minder snel als lekker maaltje worden gezien.

Waarom boerenkool na vorst zo lekker smaakt.

Er zijn groenten die totaal geen vorst kunnen verdragen, zoals sla, courgette, tomaat en sperziebonen. Als deze planten bevriezen gaan ze na een paar uur dood.
Dit is wat er gebeurt.
In de bladeren en stelen zit water. Als de temperatuur onder nul graden Celsius komt, gaat dat water bevriezen. Dat bevroren water wordt ijs en het ijs heeft meer ruimte nodig in het blad en de steel, dan het water. Door het ijs scheuren het blad en de steel kapot en de voedingsstoffen kunnen dan niet meer door de hele plant heen stromen. En dan gaat de plant dood.

Maar prei, boerenkool en spruitjes kunnen wel tegen de vorst. Het water dat in deze planten zit, is water met extra veel suikers erin opgelost. Deze suikers werken als antivries voor de planten. Water met iets erin opgelost bevriest pas bij veel lagere temperaturen. Hoe meer suikers er in de plant zitten, des te harder kan het gaan vriezen voordat deze planten bevriezen.
En daarom smaken boerenkool en spruitjes zoeter als het gevroren heeft.

Jan Baas      (In de rubriek "Recepten" vind je een recept voor boerenkool.)

Aardappelen.

De kinderen vragen wel eens: “Wanneer kan je de aardappelen oogsten?”

Wij hebben de aardappels in april gepoot. Je ziet nu alleen het blad van de aardappel boven de grond komen. Later komen er bloemetjes in en daarna besjes. De besjes zijn giftig, die kun je dus niet eten. Het hangt van de soort aardappel af of je witte of paarse bloemetjes ziet verschijnen. Paarse bloempjes wijzen erop dat je straks rode aardappelen kunt oogsten.

Onder de grond groeien de nieuwe aardappelknollen, maar dat zie je niet. Ze groeien aan de wortels van de aardappelplant. Er groeien een stuk of twaalf aardappelknollen aan de plant. Hoe groot de knollen worden, ligt aan het weer tijdens de groei. Als het blad boven de grond geel wordt en afsterft, kun je de aardappels rooien. Dit is meestal in augustus of september, afhankelijk van de soort aardappels.

Hieronder zie je een plaatje van een bloeiende aardappelplant met, onder de grond aan de wortels, de aardappels.

 Jan Baas

                                                   

Zwarte bonenluis.

Er zijn heel veel soorten bladluizen, zoals perzikluis, bladluis, zwarte bonenluis. Dit verhaal gaat over de zwarte bonenluis: deze luizen kun je op de planten heel goed zien. Bladluis is groenachtig van kleur en is veel moeilijker te zien.

Zwarte bonenluizen zijn insecten, die als een eitje over-winteren op struiken zoals de kardinaalsmuts en de Gelderse roos. Ze overwinteren nooit als kleine beestjes. In maart kruipen uit deze eieren kleine luisjes en die eten het plantensap op van de planten. Deze luizenkolonie gaat nu groeien: één luis brengt in een korte tijd wel 80 jonge luizen als nageslacht voort en die gaan zich op hun beurt net zo snel voortplanten. Hierdoor groeit de zwarte bonenluiskolonie heel snel.
Daarna vliegen ze uit naar andere planten zoals de tuinbonen. 

Lieveheersbeestje en zijn larf.

Op de tuinbonen gaan ze op de jonge stengeltoppen zitten en zuigen het plantensap er uit. En steeds komen er heel veel
jonge luizen er bij. Zo kan in korte tijd een hele bonenplant bedekt raken met een dikke laag bonenluizen. Doordat de luizen de plantensappen eten, krijgen de tuinbonen zelf heel weinig voedingstoffen en groeien ze heel slecht.

In dit plantensap zit heel veel suikers, en wel zo veel dat de luis het niet allemaal in zijn maag kan verteren. Het poept de suikers uit. Deze poep noem je honingdauw.

Mieren lusten heel veel zoetigheid en zijn verzot op deze honingdauw. De mieren beschermen de luizen ook tegen hun vijanden, zoals het roofzuchtige lieveheersbeestje en de larven van de gaasvlieg. Dankzij de bescherming van de mieren zal de luizenkolonie niet snel verminderen, tenzij de vogels de mieren opvreten.

               

Gaasvlieg                                Larve van gaasvlieg

In de herfst vliegen de luizen weer terug naar de struiken waar ze de wintereieren leggen. Ze leggen kleine zwarte eieren in de knoppen van de plant, veilig tussen de knop-blaadjes. De eieren zijn dan goed beschermd tegen de winter en ook beschut tegen dieren die de eieren dan willen opeten.

 Jan Baas, Zonnebloem

Een egel in winterslaap.


In de winter is er voor de vrijwilligers nog veel te doen. Op de Zonnebloem is bijvoorbeeld druk gesnoeid. Bij de struiken of heesters snoei je het oude en dode hout er dan uit. Tussen dit hout groeien ook veel bramen.
De vogels hebben de zaden van de bramen verspreid. In augustus eten sommige vogels graag de rijpe bramen op. De zaden die erin zitten poept de vogel weer uit. Het zaad valt op de grond en als de groeivoorwaarden gunstig zijn, komen daar spontaan weer nieuwe bramen. Weet je nog wat de groeivoorwaarden zijn om het zaad te laten groeien? Dat is de juiste hoeveelheid warmte en vocht tegelijk en later, als het zaad kiemt, voldoende licht voor het blad om te groeien.
De braam krijgt heel lange stengels, wel zo’n meter of 6 à 8 lang. Deze stengels noem je ranken. Zo’n rank blijft nooit rechtop in de hoogte groeien want daar is hij te slap voor. Als de top van de rank weer de grond raakt komen daar spontaan weer nieuwe wortels. Op dat groeipunt krijgt de braam weer vele nieuwe ranken en dan krijg je op den duur een oerwoud van bramen. Alle struiken die onder de bramen groeien, krijgen dan geen licht meer en gaan dood.
Wij willen dat deze struiken blijven leven want daarin leven de vogels. De vogels eten de insecten en rupsen op die voor onze tuin schadelijk zijn.
Bij het snoeien trek je alle braamranken weg. Toen ontdekten we een egel, die met zijn winterslaap bezig was. Nu moet je een egel, die zijn winterslaap doet, niet storen, want dan gaat hij dood. We hebben de egel stil laten liggen en direct kweekgras en andere afgestorven plantendelen voorzichtig boven op de egel gelegd. Zo kon hij beschut tegen de winter verder slapen.
Wij willen graag dat de egels blijven leven. Want ze lusten heel graag slakken. En slakken hebben we het afgelopen tuinjaar genoeg gehad, die vreten heel graag onze groenteplanten op. En dat willen we natuurlijk niet. 

 Jan Baas van de Zonnebloem

Luizen met vriend en vijand.


Dit keer een stukje uit de praktijk.
Op groente zoals sla en andijvie, zitten heel vaak groene bladluizen. Voor de kinderen zijn deze luizen moeilijk te zien. Wel als er lieveheersbeestjes op deze planten zitten.
De lieveheersbeestjes eten de luizen op: zo gaat dat in de natuur.

Dit seizoen heb ik tuinbonen geplant om aan de kinderen te laten zien hoe het er in de natuur aan toegaat. De tuinbonen hebben veel last van de zwarte bonenluis. Deze luizen zijn veel beter te zien dan de groene bladluis. De lieveheersbeestjes lusten ook de bonenluis.

Toen er veel luizen op de tuinbonen zaten, zagen de kinderen dat er geen lieveheersbeestjes op de tuinbonen zaten. Wel zagen ze lieveheersbeestjes in de omgeving. De kinderen lokten ze met hun vingers en toen ze er een op hun vinger hadden, brachten ze die naar de tuinbonen met luizen. Het lieveheersbeestje ging naar de luizen toe en de kinderen wilden wel zien hoe ze de luizen op zouden vreten. Daar kwam het lieveheersbeestje niet aan toe. Het wilde net beginnen of de mieren kwamen uit een schuilhoekje te voorschijn en joegen het lieveheersbeestje weg.

Dat vonden de kinderen maar gek.
Ik heb het toen maar aan de kinderen uitgelegd. Het zit zo:
De luizen eten plantensap met veel suikers er in. Veel van deze suikers poept de luis uit en dit heet honingdauw. Deze zoete poep vinden de mieren heel lekker. Daarom jagen de mieren de vijanden van de luizen weg.

Jan Baas van de Zonnebloem

Zaden om te overleven

In augustus of begin september is het zaaien van de groenten en éénjarige bloemen over. De bloemen staan nu te bloeien. Als je nu niet alle bloemen plukt, maar een paar laat uitbloeien, komt er zaad in. Ga van verschillende planten het zaad eens bekijken en vergelijken. Dan zal je zien dat het zaad van iedere plantensoort zijn eigen kenmerken heeft.

Zo geeft de ene plant pluisjeszaad, zoals de paardebloemen en kruiskruid. En zijn er andere planten waarvan de zaden aan je kleren kleven of op de vacht van dieren blijft hangen. Enkele hiervan zijn kleefkruid en wortelen. Er zijn ook ruwe, gladde, grote, kleine, ronde en kromme zaden. Er zijn zaden die een hele tijd op het water kunnen drijven en met de stroming of golfslag van het water op een andere plaats terecht komen. Dit zaad is meer voor water- en oeverplanten. De gele liszaden drijven op het water. Nu geeft de ene plant meer zaden dan de andere plant. Dit is gewoon om als plant te overleven en om te verspreiden. En dit heeft ook te maken of het zaad op een goede plaats in de aarde valt om te kiemen. Een paardebloem geeft heel veel pluiszaad. Zo'n zaadje kan wel 10 km ver weg waaien. Zo kunnen deze zaden in een dakgoot, tussen de tegels, op open plaatsen in de aarde, in grasland of in een bos, waar weinig zonlicht is, terechtkomen. Van al deze plaatsen zijn er maar enkele waar het zaad kan kiemen, om dan uit te groeien tot een plant.

Weet je nog, als een zaad wil kiemen om een jong plantje te worden, wat daar allemaal voor nodig is? Dat is: de juiste temperatuur, vocht en lucht. En natuurlijk hebben jonge plantjes ook licht en goede grond nodig. Dus van alle paardebloemenzaadjes zijn er maar een paar die tot een volwassen paardebloem uitgroeien. Daarom heeft een paardebloem zo veel paardebloemzaden. Heb je wel eens geteld hoeveel zaden er op één paardebloem zitten? Als je het pluisjeszaad goed bekijkt, dan zie je het pluisje als een soort parachute en daar onder het hele kleine zaadje eraan vast.

Jan Baas van de Zonnebloem